| Ego (positief): | Trotse |
| Ego (negatief): | Opschepper |
| Gedrag: | Door de ander aan te geven hoe goed je bent, wil je jezelf boven de ander positioneren. |
| Doel: | Bewonderd worden. |
| Mogelijke angst: | Niet bewonderd worden. |
| Self-fulfilling prophecy bij angst: | Men bewondert je niet omdat men je een opschepper vindt. |
| Voorbeeld negatieve selftalk: | Als je niet laat zien hoe goed je bent, bewondert men je niet. |
| Voorbeeld positieve selftalk: | Ik vertel mijn successen als ik anderen daarmee ondersteun. |
| Gewenste positie: | +1 (bovenpositie in de groep). |
| De beweging van de trotse is: | Van 0 naar +1. |
| Andere typen die bij dit ego horen: | Het haantje, de macho, de iwab (ik weet alles beter), de betweter. |
Als je dit ego inzet, ben je continu bezig jezelf op een hoger plan te zetten. Je bent erg trots op jezelf. Je bent niet echt met anderen bezig. In een gesprek weet je continu een bruggetje te slaan naar succesvolle voorbeelden die je zelf hebt meegemaakt. Je laat zien dat je eigenlijk alles beter weet. Op vergaderingen voer je het hoogste woord en je bent dan erg tevreden met jezelf. Het goede van dit ego is dat je best trots op jezelf mag zijn, sterker nog: je mag hopen dat je trots op jezelf bent. Valse bescheidenheid is vaak ook egogedrag. Het is alleen een groot verschil of je trots bent omdat je goed bent, of dat je het alleen maar gevonden wilt worden.
Als je erg veel over jezelf praat, heb je dat waarschijnlijk nodig. Waarschijnlijk ben je bang dat als je dat niet doet, de mensen je minder bewonderen of niet serieus genoeg nemen. Als dat gebeurt, val je een beetje buiten de groep. Daarom moet je wel hoog opgeven over jezelf. Wie doet het anders?
Mensen krijgen op een gegeven moment genoeg van al die zelfverheerlijking. Trots zijn op jezelf is prima, maar de hele tijd vertellen hoe goed je bent, heet opscheppen. En dat is irritant. Door dat gewauwel over jezelf geef je anderen helemaal geen ruimte. Mensen voelen dat. Het gevolg is dat mensen je snel links laten liggen. Ze nemen je verhalen niet meer serieus. Er wordt in de wandelgangen zelfs een beetje lacherig over gedaan. ‘Oh die … ja, die is wel erg tevreden met zichzelf’, vertellen ze elkaar met een knipoog. Het moment dat je als trotse echt iets hebt gepresteerd wordt dan niet meer herkend. ‘Zal wel weer zo’n mooi verhaal zijn …’
En ziedaar, de angst komt uit. De trotse wordt niet bewonderd, hij ligt er een beetje uit.